jeudi, août 27, 2026

Boussac, veel meer dan een markt -- Boussac, bien plus qu’un marché

Le texte en Francais est aprés la version Neerlandaise


Tijdens onze vakantie was er een ongebruikelijke gebeurtenis: Boussac maakte kans om de mooiste markt van Frankrijk te worden. Elk jaar organiseert een televisieprogramma een verkiezing van de mooiste markt van Frankrijk. Dit jaar was de markt van Boussac een van de kandidaten. Uiteindelijk eindigde hij op de vijfde plaats. „Slechts” vijfde! Toch is dat al een zeer mooie prestatie voor deze kleine markt in de Creuse.

Maar wat interessant is aan Boussac, is dat de markt helemaal niet nieuw is. Het is eigenlijk een heel oud verhaal. Al sinds de middeleeuwen stond Boussac bekend om zijn jaarmarkten. Vier keer per jaar kwamen handelaren en veehouders samen in dit kleine stadje tussen Berry en Limousin. Door zijn ligging was het een natuurlijke ontmoetingsplaats tussen deze twee provincies. De jaarmarkten waren zo belangrijk dat Boussac de bijnaam „Markt van de Marche” kreeg.

Maar Boussac is niet alleen bekend om zijn markt. Boven de Petite Creuse verheft zich het middeleeuwse kasteel. De plek was al belangrijk in de Gallo-Romeinse tijd en er werden verschillende vestingwerken gebouwd voordat Jean de Brosse het kasteel rond 1400 liet herbouwen. Nadat hij maarschalk van Frankrijk was geworden, bleef hij een trouwe metgezel van Jeanne d’Arc. Hij nam deel aan verschillende veldslagen tegen de Engelsen en vergezelde Karel VII naar Reims voor diens kroning in 1429. Hij behoorde tot de heren die belast waren met de bescherming van de Heilige Ampul tijdens het transport tussen de abdij van Saint-Remi en de kathedraal.

Een belangrijk man dus. Maar roem vult de schatkist niet: Jean de Brosse raakte volledig geruïneerd. Hij had zoveel schulden opgebouwd dat zijn lichaam na zijn dood mogelijk niet eens in gewijde grond begraven zou kunnen worden. Gelukkig voor hem was Karel VII de diensten van zijn oude wapenbroeder niet vergeten. De koning liet een speciale belasting heffen, waardoor Jean de Brosse uiteindelijk toch in gewijde grond kon worden begraven.

Het gebouw dat we vandaag zien, is heel anders dan het kasteel dat Jean de Brosse kende. Vanaf de weg beneden zien we het kasteel boven ons uittorenen, met zijn imposante gevel. Er is nog maar één balkon over. Het is gemaakt van smeedijzer en wordt in verband gebracht met George Sand. Vroeger waren er veel meer, van hout, vanwaar men het landschap kon bewonderen.

Op 14 januari 1548 werd er in Boussac een bruiloft voorbereid: die van Charles de Luxembourg, burggraaf van Martigues, en Claudine de Foix. De gehele adel van de streek was bijeengekomen. Om de gasten en het publiek te vermaken, werd er op de weide beneden het kasteel een steekspel, een soort riddertoernooi, georganiseerd. De toeschouwers namen plaats op houten galerijen. Maar deze konden hun gewicht niet dragen. De galerijen stortten in. Het feest veranderde in een tragedie, met vele doden en gewonden tot gevolg.

Na dit nogal sombere verhaal keren we terug naar iets vrolijkers. Nou ja... bijna.

Tijdens haar verblijven in Boussac verbleef George Sand in een kamer die uitkeek op de grote wachtzaal. Daar ontdekte ze zes immense wandtapijten in een erbarmelijke staat. Ze staan nu bekend als De Dame en de Eenhoorn, een van de grote meesterwerken van de middeleeuwse tapijtkunst, vaak de „Mona Lisa van de tapijtkunst” genoemd.

Maar hoe waren zulke kunstwerken in het kasteel van Boussac terechtgekomen, en vooral: hoe waren ze in zo'n slechte staat geraakt? De wandtapijten waren aan het einde van de 15e eeuw in opdracht van een vooraanstaande Franse adellijke familie gemaakt. Vervolgens gingen ze van generatie op generatie over, totdat ze uiteindelijk in Boussac belandden. Toen George Sand ze in de 19e eeuw ontdekte, hadden vocht, ratten en jarenlange verwaarlozing ze ernstig beschadigd. Sommige delen waren zelfs uitgesneden om voor andere doeleinden te worden gebruikt.

George Sand begreep meteen dat dit geen gewone oude stoffen waren. Ze vestigde de aandacht erop en Prosper Mérimée bemiddelde vervolgens bij de autoriteiten om hun behoud te regelen. De zes werken werden uiteindelijk in 1882 door de Franse staat aangekocht. Ze verlieten Boussac en gingen naar Parijs, waar ze tegenwoordig in het Musée de Cluny worden bewaard.

Maar het verhaal van Boussac eindigt daar niet. De kunstwerken lieten namelijk iets achter: het geld van hun verkoop. Een deel van dit bedrag werd gebruikt om belangrijke werkzaamheden in de stad te financieren, met name de bestrating van de Place du Champ de Foire. Nadat het plein eeuwenlang was vertrapt door mensen, paarden en dieren die naar de jaarmarkten kwamen, kreeg het eindelijk een fatsoenlijke bestrating.

En zo droegen De Dame en de Eenhoorn, enkele eeuwen na de grote middeleeuwse jaarmarkten, uiteindelijk bij aan de verbetering van… de markt van Boussac.

De op vier na mooiste markt van Frankrijk? Een prachtig resultaat, zeker. Maar na het ontdekken van zijn geschiedenis denk ik dat hij misschien wel iets beters verdiende.



Cet été, nos vacances ont été rythmées par un événement un peu particulier : Boussac pouvait devenir le plus beau marché de France. Chaque année, une émission de télévision organise en effet une élection du plus beau marché de France. Cette année, le marché de Boussac figurait parmi les candidats. Il n’a finalement obtenu que la cinquième place. « Que » la cinquième ! C’est pourtant déjà une très belle place pour ce petit marché de la Creuse.

Mais ce qui est intéressant à Boussac, c’est que son marché n’est pas une nouveauté. C’est même une très, très vieille histoire. Dès le Moyen Âge, Boussac était célèbre pour ses foires. Quatre fois par an, marchands et éleveurs se retrouvaient dans cette petite ville située entre le Berry et le Limousin. Sa position en faisait un lieu de rencontre naturel entre ces deux provinces. Ces foires étaient si importantes que Boussac a reçu le nom de « Marché de la Marche ».

Mais Boussac n’est pas seulement connue pour son marché. Au-dessus de la Petite Creuse domine le château médiéval. Le site avait déjà une importance à l’époque gallo-romaine et plusieurs fortifications s’y sont succédé avant que Jean de Brosse ne fasse reconstruire la forteresse vers 1400. Devenu maréchal de France, il est un fidèle compagnon de Jeanne d’Arc. Il participe à plusieurs combats contre les Anglais et accompagne Charles VII jusqu’à Reims pour son sacre en 1429. Il fait alors partie des seigneurs chargés de protéger la Sainte Ampoule pendant son transport entre l’abbaye de Saint-Remi et la cathédrale.

Un homme important, donc. Mais la gloire ne remplit pas les coffres : Jean de Brosse finit complètement ruiné. Il accumule tellement de dettes qu’à sa mort, son corps risque même de ne pas pouvoir être enterré en terre consacrée. Heureusement pour lui, Charles VII n’a pas oublié les services de son vieux compagnon d’armes. Le roi fait lever un impôt exceptionnel qui permet finalement à Jean de Brosse de rester tranquillement dans sa tombe.

L’édifice que l’on voit aujourd’hui est très différent de celui qu’a connu Jean de Brosse. Depuis la route, en contrebas, on aperçoit le château perché au-dessus de nous, avec sa façade imposante. Un seul balcon subsiste aujourd’hui. En fer forgé, il est associé au souvenir de George Sand. Autrefois, il y en avait beaucoup plus, en bois, d’où l’on pouvait admirer le paysage.

Le 14 janvier 1548, un mariage se prépare à Boussac : celui de Charles de Luxembourg, vicomte de Martigues, et de Claudine de Foix. Toute la haute noblesse de la région est réunie. Pour divertir les invités et la foule, un tournoi de chevalerie, un carrousel, est organisé dans la prairie en contrebas. Les spectateurs prennent place sur les galeries en bois. Mais celles-ci ne supportent pas leur poids. Les passerelles s’effondrent. La fête se transforme en tragédie, faisant de nombreux morts et blessés.

Après cette histoire bien sombre, revenons à quelque chose de plus heureux. Enfin… presque.

Lors de ses séjours à Boussac, George Sand occupe une chambre donnant sur la grande salle des gardes. C’est là qu’elle découvre six immenses tapisseries dans un état épouvantable. Elles sont aujourd’hui connues sous le nom de La Dame à la licorne, l’un des grands chefs-d’œuvre de la tapisserie médiévale, souvent surnommée la « Joconde de la tapisserie ».

Mais comment de telles œuvres ont-elles pu se retrouver dans la demeure de Boussac, et surtout dans un état pareil ? Commandées à la fin du XVe siècle par une grande famille de la noblesse française, les tentures passent au fil des générations de famille en famille, jusqu’à arriver à Boussac. Lorsque George Sand les découvre au XIXe siècle, elles ont beaucoup souffert. L’humidité, les rats et des années de négligence les ont fortement endommagées. Certaines parties ont même été découpées pour servir à d’autres usages.

George Sand comprend immédiatement qu’il ne s’agit pas de simples vieilles étoffes. Elle attire l’attention sur elles et Prosper Mérimée intervient à son tour auprès des autorités pour organiser leur sauvegarde. Les six œuvres sont finalement achetées par l’État français en 1882. Elles quittent Boussac pour rejoindre Paris, où elles sont aujourd’hui conservées au musée de Cluny.

Mais l’histoire de Boussac ne s’arrête pas là. Car les œuvres ont laissé quelque chose derrière elles : l’argent de leur vente. Une partie de cette somme permet de financer d’importants travaux dans la ville, notamment le pavage de la place du Champ de Foire. Après avoir été piétinée pendant des siècles par les hommes, les chevaux et les animaux venus aux foires, la place pouvait enfin retrouver un sol digne de ce nom.

Et voilà comment, plusieurs siècles après les grandes foires médiévales, La Dame à la licorne a finalement contribué à améliorer… le marché de Boussac. Cinquième plus beau marché de France ? Une belle place, certes. Mais après avoir découvert son histoire, on se dit qu’il méritait peut-être encore un peu mieux.



vendredi, août 14, 2026

Les petites merveilles de Groningue -- De kleine wonderen van Groningen

De Nederlandse versie is na de Franse tekst.

La France est connue pour ses petits villages de campagne et leurs églises souvent romanes, parfois vieilles de près de mille ans. Combien de panneaux indicateurs nous invitent à les découvrir sur les routes de France ?

Pourtant, les Pays-Bas possèdent eux aussi de petites églises médiévales, dans le nord du pays, entre Groningen et la Frise. C'est une région qui a toujours dû composer avec la mer. Bien avant la construction des digues, les habitants avaient trouvé une solution pour se protéger des inondations : construire des collines artificielles pour y installer leurs maisons. À Groningen, on les appelle des wierden, en Frise des terpen. Ces habitations surélevées se sont développées dès l'Antiquité, en accumulant terre, argile, mottes de gazon et même déchets de la vie quotidienne, afin de créer des plateformes suffisamment hautes pour échapper aux marées.

C'est au sommet de ces anciennes wierden que l'on trouve certaines des petites églises les plus étonnantes de Groningen. Lorsqu'on découvre cette région, on ne s'attend pas forcément à y trouver une telle concentration d'églises médiévales.

Lors d'une promenade à vélo, elles apparaissent parfois au bout d'un chemin, posées sur leur petite hauteur et dominant le paysage. La plupart sont construites en brique rouge ou ocre, parfaitement en harmonie avec les paysages du nord. Il y a tout de même une exception à Feerwerd : l'église Saint-Jacques, avec ses murs recouverts d'un enduit clair. Les plus anciennes, dans le style roman, ont des murs étonnamment épais et de petites ouvertures arrondies. Pour entrer dans certaines, il faut encore grimper la wierde. Leur clocher est alors visible de très loin dans ce paysage extrêmement plat, à moins que les arbres du petit cimetière ne viennent nous cacher la vue.

J'aime bien regarder les cimetières. Et là-bas, ils sont particulièrement intéressants. Les pierres tombales les plus anciennes que l'on rencontre aujourd'hui datent souvent des XVIIe et XVIIIe siècles. C'est étonnant autour d'une église du XIIe ou XIIIe siècle, mais cela s'explique aussi par le climat. Oui, déjà !

Avoir une belle pierre tombale était autrefois un signe de richesse. La pierre, souvent transportée sur de longues distances par bateau, était coûteuse. Les gens du peuple étaient plutôt enterrés sous une simple croix ou une marque en bois, beaucoup moins durable dans le climat humide et venteux de la mer du Nord. Au Moyen Âge, les personnes les plus importantes pouvaient même être enterrées à l'intérieur de l'église, leurs dernières demeures étant ainsi protégées des intempéries.

En regardant ces pierres, on remarque aussi les différences de matériaux. Certaines sont en grès de Bentheim, une pierre claire ou grise largement utilisée dans le nord des Pays-Bas. Avec le temps, elle s'est érodée, rendant parfois les inscriptions difficiles à lire. D'autres, beaucoup plus sombres, semblent fraîchement sorties des ateliers malgré leurs siècles. Il s'agit notamment de pierres calcaires très dures, comme la pierre bleue belge provenant entre autres de la région de Tournai — dans le nord de la France, où je suis née. Leur résistance permet encore de distinguer parfaitement blasons, sabliers, crânes et squelettes. Ces symboles rappellent la fragilité de la vie et le passage du temps. Certaines de ces dalles funéraires sont véritablement magnifiques.

Mais revenons à l'intérieur de ces petits édifices religieux. Au Moyen Âge, leurs murs et leurs voûtes pouvaient être entièrement recouverts de peintures : scènes bibliques, saints, personnages et motifs décoratifs. Puis la Réforme est arrivée. La Beeldenstorm de 1566 avait déjà entraîné des destructions d'images catholiques. En 1594, après la prise de Groningen par les forces de la République, la région passe définitivement dans le camp calviniste. Les églises sont alors profondément transformées et les peintures murales souvent recouvertes de chaux. Pendant des siècles, le décor disparaît sous cette couche blanche.

Puis, beaucoup plus tard, les restaurateurs ont commencé à retrouver ces anciennes peintures. À Middelstum, elles ont été redécouvertes sous la chaux au XIXe siècle, puis progressivement dégagées et restaurées. On peut aujourd'hui y admirer plusieurs scènes bibliques. À Westeremden également, l'Andreaskerk possède des peintures murales et de voûtes datant notamment des XIIIe et XVe siècles.

Mais les calvinistes n'ont pas fait que détruire dans ces édifices. Et c'est peut-être ce qui me plaît le plus dans ces églises : le contraste entre les murs blancs et le mobilier en bois peint.

Avec la Réforme, le centre de la vie religieuse change. L'autel n'occupe plus la même place centrale et l'attention se porte davantage vers la chaire du prédicateur et les bancs des fidèles. On trouve aussi les fameuses herenbanken, réservées aux familles importantes, ainsi que les tribunes et les orgues. Ces meubles en bois ne restent pas bruts. Non, ils sont peints.

Certaines couleurs reviennent régulièrement : le vert bleuté, obtenu notamment avec des pigments à base de cuivre, le rouge ocre à base d'oxyde de fer, mais aussi le jaune et l'ocre. Sur ces derniers, les peintres dessinaient des veines plus sombres pour donner au simple bois de pin ou de sapin l'apparence d'un bois plus précieux. Une sorte de trompe-l'œil avant l'heure. Ces couleurs donnent aux églises une atmosphère à la fois austère et chaleureuse. Les murs blancs font ressortir les meubles, la chaire et les bancs, comme s'ils étaient devenus les véritables acteurs de l'intérieur.

Je pourrais continuer encore longtemps à parler de ces petites merveilles. Il y a les clochers, les orgues, les anciennes portes, les blasons, les pierres réutilisées dans les murs, les histoires de familles puissantes... Chaque village semble avoir son histoire.
Et c'est peut-être cela qui me plaît le plus : ici, il n'est pas nécessaire de visiter une immense cathédrale pour rencontrer l'Histoire. Il suffit parfois de monter une petite wierde, de pousser une vieille porte et de regarder attentivement autour de soi.
Je crois que je vais consacrer quelques autres billets à cette découverte...

      

Frankrijk staat bekend om zijn kleine dorpjes met hun vaak romaanse kerken, waarvan sommige bijna duizend jaar oud zijn. Hoeveel verkeersborden nodigen ons wel niet uit om ze te ontdekken langs de Franse wegen?

Maar ook Nederland heeft kleine middeleeuwse kerkjes, in het noorden van het land, tussen Groningen en Friesland. Dit is een regio die altijd al met de zee te maken heeft gehad. Lang voordat er dijken werden aangelegd, hadden de inwoners een oplossing gevonden om zich tegen overstromingen te beschermen: het bouwen van kunstmatige heuvels waarop ze hun huizen bouwden. In Groningen worden ze wierden genoemd, in Friesland terpen. Deze verhoogde woningen ontstonden al in de oudheid door het ophopen van aarde, klei, graszoden en zelfs alledaags afval om platforms te creëren die hoog genoeg waren om aan het getij te ontsnappen.

Het is bovenop deze oude wierde dat je enkele van Groningens meest bijzondere kleine kerkjes vindt. Wanneer je deze regio voor het eerst bezoekt, verwacht je niet per se zo'n hoge concentratie middeleeuwse kerken aan te treffen.

Tijdens een fietstocht verschijnen ze soms aan het einde van een pad, hoog op hun kleine heuveltjes, uitkijkend over het landschap. De meeste kerken zijn gebouwd van rode of okerkleurige baksteen, perfect in harmonie met het noordelijke landschap. In Feerwerd is er echter één uitzondering: de Sint-Jacobskerk, met haar muren bedekt met lichtgekleurd pleisterwerk. De oudste kerken, in romaanse stijl, hebben verrassend dikke muren en kleine, ronde openingen. Om sommige ervan te betreden, moet je nog steeds de wierde beklimmen. Hun klokkentorens zijn dan al van verre zichtbaar in dit extreem vlakke landschap, tenzij de bomen van de kleine begraafplaats het zicht belemmeren.

Ik vind het leuk om begraafplaatsen te bekijken. En hier zijn ze bijzonder interessant. De oudste grafstenen die je tegenwoordig tegenkomt, dateren vaak uit de 17e en 18e eeuw. Het is verrassend om ze rond een 12e- of 13e-eeuwse kerk te vinden, maar dit kan ook verklaard worden door het klimaat. Ja, zelfs toen!

Een mooie grafsteen was ooit een teken van rijkdom. De steen, die vaak over lange afstanden per schip werd vervoerd, was duur. Gewone mensen werden vaker begraven onder een eenvoudig kruis of een houten graf, die veel minder bestand waren tegen het vochtige en winderige klimaat van de Noordzee. In de Middeleeuwen konden de belangrijkste personen zelfs in de kerk begraven worden, hun laatste rustplaats dus beschermd tegen de elementen.

Als je naar deze stenen kijkt, zie je ook de verschillen in materiaal. Sommige zijn gemaakt van Bentheimer zandsteen, een lichte of grijze steen die veel gebruikt werd in Noord-Nederland. Door de tijd heen is deze geërodeerd, waardoor de inscripties soms moeilijk leesbaar zijn. Andere, veel donkerdere stenen, lijken ondanks hun eeuwenoude leeftijd net uit de werkplaats te komen. Hieronder vallen zeer harde kalkstenen, zoals Belgische blauwsteen, afkomstig uit de regio Tournai in Noord-Frankrijk, waar ik geboren ben. Dankzij hun duurzaamheid kunnen we nog steeds duidelijk wapenschilden, zandlopers, schedels en skeletten zien. Deze symbolen herinneren ons aan de vergankelijkheid van het leven en het verstrijken van de tijd. Sommige van deze grafstenen zijn werkelijk magnifiek.

Maar laten we terugkeren naar het interieur van deze kleine religieuze gebouwen. In de middeleeuwen waren de muren en gewelven van kerken vaak volledig bedekt met schilderingen: Bijbelse taferelen, heiligen, figuren en decoratieve motieven. Toen kwam de Reformatie. De Beeldenstorm van 1566 had al geleid tot de vernietiging van katholieke afbeeldingen. In 1594, na de verovering van Groningen door de troepen van de Republiek, kwam de regio definitief onder calvinistische invloed te staan. De kerken werden vervolgens ingrijpend verbouwd en de muurschilderingen werden vaak met witkalk bedekt. Eeuwenlang verdween de decoratie onder deze witte laag.

Veel later begonnen restaurateurs deze oude schilderingen te herontdekken. In Middelstum werden ze in de 19e eeuw onder lagen witkalk blootgelegd en vervolgens geleidelijk gerestaureerd. Tegenwoordig zijn er verschillende Bijbelse taferelen te bewonderen. Ook in Westeremden heeft de Andreaskerk muurschilderingen en gewelfschilderingen uit de 13e en 15e eeuw.

Maar de calvinisten hebben deze gebouwen niet alleen verwoest. En misschien is dat wel wat ik het mooist vind aan deze kerken: het contrast tussen de witte muren en het beschilderde houten meubilair.

Met de Reformatie verschoof het middelpunt van het religieuze leven. Het altaar nam niet langer dezelfde centrale plaats in en de aandacht ging meer uit naar de preekstoel en de kerkbanken. Er waren ook de beroemde herenbanken (privézitplaatsen), gereserveerd voor belangrijke families, evenals galerijen en orgels. Dit houten meubilair werd niet onafgewerkt gelaten. Nee, het werd beschilderd.

Bepaalde kleuren keren regelmatig terug: blauwgroen, met name verkregen met pigmenten op koperbasis, okerrood gemaakt van ijzeroxide, maar ook geel en oker. Op deze laatste kleuren tekenden schilders donkere nerven om eenvoudig grenen- of sparrenhout de uitstraling van kostbaarder hout te geven. Een soort trompe-l'œil avant la lettre. Deze kleuren geven de kerken een sfeer die zowel sober als warm is. De witte muren laten het meubilair, de preekstoel en de kerkbanken eruit springen, alsof ze de ware sterren van het interieur zijn geworden.

Ik zou nog veel meer kunnen vertellen over deze kleine wonderen. Er zijn de klokkentorens, de orgels, de oude deuren, de wapenschilden, de hergebruikte stenen in de muren, de verhalen van machtige families... Elk dorp lijkt zijn eigen geschiedenis te hebben.

En misschien is dat wel wat ik het mooist vind: hier hoef je geen enorme kathedraal te bezoeken om geschiedenis te ervaren. Soms is het enige wat je hoeft te doen een wierde op te lopen, een oude deur open te duwen en goed om je heen te kijken.

Ik denk dat ik nog een paar berichten over deze ontdekking zal schrijven...



samedi, juillet 18, 2026

Les fenêtres ouvertes, les portes fermées : un paradoxe néerlandais? -- Open ramen, gesloten deuren: een Nederlandse paradox?

De Nederlandse versie is onder de Franse tekst.

Une chose que j'aime faire lorsque je me promène dans les rues des villes et des villages des Pays-Bas, c'est regarder chez les gens. Bien que se soit impoli, je n'y peux rien, c'est plus fort que moi. Ici, les grandes fenêtres laissent souvent voir l'intérieur des maisons. Pour quelqu'un venant de France, c'est toujours un peu surprenant.

La première idée qui nous vient est souvent la même : La société néerlandaise donne souvent une impression d'ouverture. Ils n'ont pas peur de montrer leur intérieur, leur quotidien, leur façon de vivre. On s'imagine alors qu'il doit être facile de se faire des amis.

Puis, assez rapidement, on découvre que la réalité est un peu différente.

Oui, les Néerlandais engagent facilement la conversation avec un inconnu. Ils aiment parler d'autres langues, même si leur accent peut parfois demander un petit temps d'adaptation. Ils sont curieux, s'intéressent à vous et posent volontiers des questions.

Mais entrer dans leur cercle privé est une autre histoire. Pour cela, il faudra souvent un rendez-vous fixé à l'avance, à une heure précise — et mieux vaut être ponctuel ! Quant à la collation, elle sera généralement simple et sans extravagance.

Mais je m'égare... Revenons à nos fenêtres.

Car si les rideaux sont souvent ouverts et que l'intérieur semble visible depuis la rue, la porte, elle, reste bien fermée. Alors, comment expliquer ce paradoxe ?

En tant que Français, nous avons parfois l'impression que ces fenêtres ouvertes sont une invitation. Pourtant, elles signifient autre chose. Elles traduisent plutôt l'idée que l'on mène une vie honnête, une vie ordinaire, une vie que l'on n'a pas besoin de cacher.

Une chose est sûre : De part et d'autre de la frontière, une même fenêtre ne raconte pas forcément la même histoire.

Le Français regarde une fenêtre et peut y voir une invitation. Le Néerlandais envoie plutôt un message : « Je vis normalement, je n'ai rien à cacher. »

Cette façon de voir est souvent associée à l'influence du calvinisme dans l'histoire des Pays-Bas, même si ce n'est pas la seule explication.

Dans la tradition calviniste, l'être humain est responsable de sa propre vie. Le salut ne se gagne pas en affichant sa richesse ou son importance aux yeux des autres. Au contraire, la modestie, le travail et une vie honnête étaient considérés comme des valeurs importantes.

Cela a contribué à créer une culture où il n'est pas toujours bien vu de se placer au-dessus des autres. Il existe d'ailleurs une expression néerlandaise très connue : « Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg », que l'on pourrait traduire par : « Reste simplement normal, c'est déjà assez fou comme ça ».

Une autre image est celle de la pelouse : si une touffe d'herbe pousse beaucoup plus haut que les autres, on finit par la couper pour que l'ensemble reste uniforme. Cette image illustre une certaine méfiance envers ceux qui veulent trop se distinguer ou montrer qu'ils sont meilleurs que les autres.

Bien sûr, cela ne signifie pas que les gens d'ici n'apprécient pas la réussite ou l'ambition. Mais il existe une préférence culturelle pour rester accessible, ne pas trop se vanter et continuer à faire partie du groupe.

En réalité, plus j'apprends à connaître les Pays-Bas, plus je découvre qu'un peuple peut paraître très ouvert tout en protégeant soigneusement son intimité.

Cette réflexion m'a fait penser à une autre particularité de leur histoire: une société longtemps organisée en communautés qui vivaient côte à côte. Mais cela mérite un autre article...

En préparant cet article, je suis tombée sur une vidéo qui explique très bien cette expression « je n'ai rien à cacher » et son lien avec l'histoire des Pays-Bas. Elle m'a donné envie d'approfondir un sujet que j'avais en tête depuis longtemps.

La vidéo est en anglais, mais il est possible de changer la langue des sous-titres dans les paramètres de YouTube.   https://www.youtube.com/watch?v=WxlPMb2i1pk&list=LL&index=2


Een van de dingen die ik graag doe wanneer ik door de straten van Nederlandse steden en dorpen wandel, is naar binnen kijken bij mensen thuis. Hoewel het onbeleefd is, kan ik er niets aan doen, het is sterker dan ik. De grote ramen geven hier vaak een blik op het interieur van de huizen. Voor iemand uit Frankrijk blijft dat altijd een beetje verrassend.

De eerste gedachte die dan vaak opkomt, is dezelfde: de Nederlandse samenleving wekt de indruk van openheid. Mensen lijken niet bang om hun huis, hun dagelijks leven en hun manier van leven te laten zien. Je krijgt al snel het gevoel dat het gemakkelijk moet zijn om hier vrienden te maken.

Maar al snel blijkt de werkelijkheid iets genuanceerder te zijn.

Ja, Nederlanders raken gemakkelijk aan de praat met onbekenden. Ze spreken graag andere talen, ook al is hun accent soms even wennen. Ze zijn nieuwsgierig, tonen belangstelling en stellen graag vragen.

Maar toegang krijgen tot hun innerlijke kring is een ander verhaal. Daarvoor maak je meestal ruim van tevoren een afspraak, op een vast tijdstip – en op tijd komen is belangrijk! Ook de hapjes en drankjes zijn vaak eenvoudig en zonder veel poespas.

Maar ik dwaal af… Laten we teruggaan naar onze ramen.

Want hoewel de gordijnen vaak open zijn en het interieur vanaf de straat zichtbaar is, blijft de voordeur meestal stevig gesloten. Hoe valt die paradox te verklaren?

Als Fransen krijgen we soms de indruk dat die open ramen een uitnodiging vormen. Maar ze betekenen iets heel anders. Ze drukken het idee uit van een eerlijk leven, een gewoon leven, een leven dat niet verborgen hoeft te worden.

Eén ding is zeker: aan beide kanten van de grens vertelt hetzelfde raam niet noodzakelijk hetzelfde verhaal.

Een Fransman ziet in een open raam misschien een uitnodiging. Een Nederlander geeft er eerder de boodschap mee af: "Ik leef gewoon. Ik heb niets te verbergen."

Die houding wordt vaak in verband gebracht met de invloed van het calvinisme op de Nederlandse geschiedenis, al is dat zeker niet de enige verklaring.

Binnen de calvinistische traditie is ieder mens verantwoordelijk voor zijn eigen leven. Verlossing wordt niet bereikt door rijkdom of status te tonen. Integendeel, bescheidenheid, hard werken en eerlijkheid golden als belangrijke deugden.

Dat heeft bijgedragen aan een cultuur waarin het niet altijd wordt gewaardeerd om jezelf boven anderen te plaatsen. Niet voor niets bestaat de bekende Nederlandse uitdrukking: "Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg."

Een ander beeld dat daarbij past, is dat van een gazon. Als één grasspriet veel hoger groeit dan de rest, wordt hij uiteindelijk gemaaid zodat alles weer gelijk oogt. Dat beeld laat zien dat er een zekere terughoudendheid bestaat tegenover mensen die zich te nadrukkelijk willen onderscheiden of willen laten zien dat ze beter zijn dan anderen.

Natuurlijk betekent dat niet dat Nederlanders geen waardering hebben voor succes of ambitie. Maar er bestaat wel een culturele voorkeur om benaderbaar te blijven, niet op te scheppen en jezelf niet boven de groep te plaatsen.

Hoe meer ik over Nederland leer, hoe meer ik ontdek dat een samenleving heel open kan lijken en tegelijkertijd haar privacy zorgvuldig bewaakt.

Die gedachte bracht me op een ander aspect van de Nederlandse geschiedenis: een samenleving die eeuwenlang georganiseerd was in verschillende gemeenschappen die naast elkaar leefden. Maar dat is een onderwerp voor een volgend artikel.

Tijdens het schrijven van dit artikel stuitte ik op een video die de uitdrukking "Ik heb niets te verbergen" en de historische achtergrond ervan heel mooi uitlegt. Die video inspireerde me om dieper in te gaan op een onderwerp dat me al langer fascineert.

De video is in het Engels, maar via de instellingen van YouTube kun je de ondertiteling eenvoudig in je eigen taal laten weergeven. https://www.youtube.com/watch?v=WxlPMb2i1pk&list=LL&index=3 



dimanche, juillet 05, 2026

Après notre journée au musée : l’histoire d’un trésor dace — Na onze dag in het museum: het verhaal van een Dacische schat

De Nederlandse versie is onder de Franse tekst.


Cet événement (janvier 2025) nous avait particulièrement marqués, car nous n’avions pas pu voir cette exposition consacrée au peuple dace (lien vers mon message : https://annevickycarlier.blogspot.com/2025/01/une-journee-au-musee-een-dagje-museum.html).

Il s’agissait d’un vol spectaculaire : quatre pièces seulement, mais d’une valeur estimée à 5,7 millions d’euros. Ces objets, parmi les plus anciens et les plus emblématiques de la civilisation dace, comprenaient le célèbre casque de Coțofenești, un joyau du patrimoine dace vieux de plus de 2 000 ans, ainsi que trois bracelets en or de la même période.

Le Musée national d’histoire de Bucarest fut profondément choqué. Les autorités roumaines accusèrent le musée de Drenthe, à Assen, de ne pas avoir assuré une protection suffisante, la surveillance nocturne étant uniquement réalisée à distance. Elles dénoncèrent un manque de professionnalisme et comparèrent ces trésors à ce que représente La Ronde de nuit pour les Pays-Bas, s’interrogeant : qu’auraient dit les autorités néerlandaises si une telle œuvre avait été volée dans les mêmes circonstances ?

Trois personnes furent rapidement arrêtées. En avril 2026, il fut annoncé lors d’une conférence de presse que le casque et deux bracelets avaient été restitués. Les autorités néerlandaises ont adopté une approche discrète, liée au caractère exceptionnel de l’affaire.

Les autorités avaient indiqué que les accusés pourraient bénéficier d’une réduction de peine s’ils coopéraient à la restitution des objets. Deux d’entre eux ont accepté et ont vu leur peine réduite à 44 mois de prison. Le troisième, refusant toute coopération, encourait 66 mois.

Finalement, le 5 juin, les trois accusés furent condamnés à 47 mois de prison, le tribunal n’ayant pas pu déterminer précisément le rôle de chacun dans la restitution.

La remise des objets s’est déroulée dans le plus grand secret, via des intermédiaires anonymes et des avocats. L’authenticité des objets a ensuite été confirmée par des experts et la police.

Cette affaire a été marquée par des tensions autour des méthodes d’enquête. Les avocats ont évoqué des pressions et des mesures de surveillance particulièrement lourdes, dans un contexte où la Roumanie exerçait une forte pression diplomatique sur les autorités néerlandaises.

Le retour du trésor en Roumanie s’est effectué sous très haute protection. Le casque a subi quelques dommages, mais non irréversibles. Les Pays-Bas ont proposé leur expertise en matière de restauration afin de lui redonner son état d’origine. Depuis leur retour au Musée national d’histoire de Bucarest, ces artefacts sont devenus de véritables vedettes et attirent de nombreux visiteurs.

Le troisième bracelet reste introuvable à ce jour, estimé à environ 500 000 euros. Les autorités poursuivent leurs recherches et lancent un appel à témoins.

Entre enquête, diplomatie et patrimoine, ce joyau du patrimoine dace continue de raconter une histoire qui dépasse largement le simple fait divers.

Wikipedia : image du film Darcii (1964)

Deze evenement (januari 2025) trof ons bijzonder hard, omdat we de tentoonstelling over het Dacische volk niet konden bezoeken (link naar mijn bericht:https://annevickycarlier.blogspot.com/2025/01/une-journee-au-musee-een-dagje-museum.html ).

Het was een spectaculaire diefstal: slechts vier objecten, maar met een geschatte waarde van 5,7 miljoen euro. Deze voorwerpen, behorend tot de oudste en meest emblematische van de Dacische beschaving, omvatten de beroemde Coțofenești-helm, een juweel uit het Dacische erfgoed van meer dan 2000 jaar oud, evenals drie gouden armbanden uit dezelfde periode.

Het Nationaal Historisch Museum in Boekarest was diep geschokt. De Roemeense autoriteiten beschuldigden het Drenthe Museum in Assen ervan onvoldoende beveiliging te hebben geboden, aangezien de nachtelijke bewaking op afstand plaatsvond. Ze hekelden het gebrek aan professionaliteit en vergeleken deze schatten met wat De Nachtwacht voor Nederland betekent, zich afvragend: wat zouden de Nederlandse autoriteiten hebben gezegd als een dergelijk werk onder dezelfde omstandigheden was gestolen?

Drie personen werden snel gearresteerd. In april 2026 werd tijdens een persconferentie bekendgemaakt dat de helm en twee armbanden waren teruggegeven. De Nederlandse autoriteiten kozen voor een discrete aanpak, gezien het uitzonderlijke karakter van de zaak.

De autoriteiten gaven aan dat de verdachten strafvermindering konden krijgen als ze meewerkten aan de teruggave van de objecten. Twee van hen stemden hiermee in en hun straf werd verlaagd tot 44 maanden gevangenis. De derde, die elke medewerking weigerde, kreeg 66 maanden.

Uiteindelijk werden de drie verdachten op 5 juni veroordeeld tot 47 maanden gevangenis, omdat de rechtbank de precieze rol van ieder van hen bij de teruggave niet kon vaststellen.

De terugkeer van de artefacten vond in het grootste geheim plaats, via anonieme tussenpersonen en advocaten. De authenticiteit ervan werd vervolgens bevestigd door deskundigen en de politie.

Deze zaak werd gekenmerkt door spanningen rond de onderzoeksmethoden. De advocaten wezen op de bijzonder hardhandige druk en surveillancemaatregelen, in een context waarin Roemenië aanzienlijke diplomatieke druk uitoefende op de Nederlandse autoriteiten.

De teruggave van de schat aan Roemenië vond plaats onder zeer strenge beveiliging. De helm liep enige schade op, maar niets onherstelbaars. Nederland bood zijn expertise in restauratie aan om de helm in zijn oorspronkelijke staat te herstellen. Sinds de terugkeer naar het Nationaal Historisch Museum in Boekarest zijn deze artefacten belangrijke trekpleisters geworden en trekken ze veel bezoekers.

De derde armband, met een geschatte waarde van ongeveer € 500.000, is nog steeds zoek. De autoriteiten zetten de zoektocht voort en hebben een oproep gedaan aan getuigen.

Tussen onderzoek, diplomatie en erfgoed vertelt dit juweel van het Dacische erfgoed een verhaal dat veel verder reikt dan een simpel nieuwsbericht.



samedi, avril 11, 2026

D’Artagnan en de mosasaurus: een verhaal over uitwisseling tussen Frankrijk en Nederland --D’Artagnan et le mosasaure : histoire d’un échange entre la France et les Pays-Bas

La version francaise est sous le texte neerlandais. 


De recente ontdekking van een skelet in Maastricht heeft de belangstelling voor een van de meest iconische figuren uit de Franse geschiedenis, d’Artagnan, opnieuw aangewakkerd. Deze beroemde musketier, wiens echte naam Charles de Batz de Castelmore was, stierf in 1673 tijdens het beleg van de stad. Hoewel de identificatie nog niet bevestigd is, denken sommige onderzoekers dat dit zijn laatste rustplaats zou kunnen zijn. Deze hypothese zorgt al voor veel enthousiasme en nieuwsgierigheid, zowel in Frankrijk als in Nederland, en benadrukt de nauwe historische banden tussen de twee landen.

La récente découverte d’un squelette à Maastricht a ravivé l’intérêt pour l’une des figures les plus emblématiques de l’histoire française : d’Artagnan. Ce célèbre mousquetaire, de son vrai nom Charles de Batz de Castelmore, est mort en 1673 lors du siège de la ville. Bien que l’identification ne soit pas encore confirmée, certains chercheurs estiment qu’il pourrait s’agir de sa dernière demeure. Cette hypothèse suscite déjà beaucoup d’enthousiasme et de curiosité, tant en France qu’aux Pays-Bas, rappelant les liens historiques étroits entre ces deux pays.

Cette découverte m’a fait penser à une autre histoire, bien plus ancienne et tout aussi fascinante : celle du mosasaure. Ce reptile marin préhistorique, souvent qualifié – avec une pointe de fierté – de « très hollandais », a été découvert au XVIIIᵉ siècle dans les carrières de calcaire du mont Saint-Pierre, près de Maastricht. Son nom, dérivé du latin Mosa (la Meuse), rappelle son origine géographique. Mais l’histoire prend une tournure inattendue en 1795. Lors de l’occupation française des Pays-Bas, les troupes révolutionnaires emportèrent le fossile à Paris comme prise de guerre. Aujourd’hui, ce spécimen est exposé au Muséum national d’Histoire naturelle, où il attire chaque année de nombreux visiteurs. Pendant ce temps, aux Pays-Bas, le Musée Teylers (Haarlem) ne conserve qu’un fragment de ce célèbre animal.

L’histoire du mosasaure soulève une question plus profonde : celle du déplacement, voire de l’appropriation, de biens culturels et historiques entre les pays. Les guerres ont souvent entraîné le transfert d’objets d’une immense valeur patrimoniale, qu’il s’agisse d’œuvres d’art, de fossiles ou de trésors archéologiques. Ces « prises de guerre » peuvent constituer de véritables traumatismes pour les nations concernées, car elles touchent à leur identité et à leur mémoire collective. Dans de nombreux cas, ces situations restent difficiles à résoudre. Les débats autour de la restitution des biens culturels sont complexes et impliquent des dimensions juridiques, historiques et diplomatiques. Si certains objets ont été restitués au fil du temps, beaucoup demeurent encore aujourd’hui dans les musées des pays qui les ont acquis, devenant ainsi les symboles d’une histoire partagée, mais parfois douloureuse. L’exemple du mosasaure de Maastricht illustre parfaitement cette problématique. Bien qu’il soit désormais une pièce maîtresse d’un musée français, il reste profondément lié à l’histoire et à l’identité néerlandaises. Cette situation invite à réfléchir à la manière dont les nations peuvent collaborer pour valoriser ce patrimoine commun, que ce soit par des expositions temporaires, des recherches conjointes ou des initiatives culturelles partagées.

Et si, finalement, la récente découverte du supposé squelette de d’Artagnan offrait aux Néerlandais une occasion rêvée de récupérer leur « dinosaure » ? Bien sûr, cette idée est un peu folle, mais elle souligne les liens historiques et culturels entre la France et les Pays-Bas. Après tout, un mousquetaire français pour un mosasaure néerlandais… voilà qui ferait un échange des plus équitables !

dimanche, mars 29, 2026

Een dag in het Scheepvaartmuseum -- Une journée au musée maritime

Vous pouvez lire le texte en francais apres le texte en neerlandais. 


Gisteren heb ik een heel mooie dag gehad in Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, een plek die zowel rijk is aan tentoonstellingen als aan architectuur.

Op aanraden van een collega ontdekte ik de tentoonstelling Oceanista, waar mode op een originele manier de maritieme wereld verkent. Het laat zien hoe eenvoudige, praktische kledingstukken, zoals het Bretonse gestreepte overhemd of de gele oliejas, grote ontwerpers hebben geïnspireerd. Vooral enkele meer artistieke stukken vielen me op door hun originaliteit.

De tentoonstelling over Japan ontroerde me. De eerste foto’s van rond 1850 zijn indrukwekkend, ondanks de technische beperkingen van die tijd. Felice Beato slaagde er toen al in om prachtige panorama’s te maken. In een meer hedendaags deel van de tentoonstelling boeide het werk van Anaïs López me door haar poëtische en intrigerende aanpak.

Vervolgens bezochten we de tentoonstelling over slavernij rond de Atlantische Oceaan. In mijn werk houd ik me bezig met vragen over herinnering en de overdracht van geweld. Deze tentoonstelling sluit daar sterk bij aan en laat zien hoe dit verleden ons heden blijft beïnvloeden. Ze is tegelijkertijd ontroerend, noodzakelijk en zeer leerzaam.

De zaal met wandtapijten wekte mijn nieuwsgierigheid. Omdat ik onlangs het Internationaal Tapijtcentrum in Aubusson heb bezocht, was ik benieuwd naar de gebruikte technieken. Het gebrek aan uitleg in het museum vond ik dan ook wat teleurstellend: gaat het hier om wandtapijten in de stijl van Gobelins, of eerder om technieken uit Aubusson en Felletin? (Al besef ik natuurlijk dat dit niet het hoofdonderwerp van het museum is.)

Uit wat onderzoek bleek dat Thomas Poyntz vooral een handelaar was die een atelier leidde, waar de ambachtslieden — vaak Vlamingen — de werken daadwerkelijk uitvoerden. Dit verandert het perspectief: deze wandtapijten lijken eerder het resultaat van collectief werk en gedeelde expertise. Hun rijkdom en omvang doen vermoeden dat er maanden werk in zat.

De afdeling met kaarten fascineerde me ook. Na het luisteren naar een aflevering van de podcast van Passion Médiévistes over cartografie, legde ik veel verbanden. Het was bijzonder om de koperplaten van dichtbij te kunnen bekijken.

Het museum zelf is zeker een bezoek waard: de koepel op de binnenplaats is indrukwekkend en een aangename plek om even te pauzeren. Het is ook kindvriendelijk en gemakkelijk bereikbaar vanaf Amsterdam Centraal. De wandeling naar het museum laat je de maritieme sfeer van de stad goed ervaren.

Een rijke dag vol ontdekkingen, emoties en reflecties.


                                               Musée national de la Marine a Amsterdam - Het scheepvaartmuseum Amsterdam

Hier, j’ai passé une très belle journée au Musée national de la Marine d’Amsterdam, un lieu aussi riche par ses expositions que par son architecture.

Sur les conseils d'une collègue, j’ai découvert l’exposition Oceanista, où la mode dialogue avec l’univers marin de manière originale. On y voit comment des vêtements simples et pratiques, comme la marinière ou le ciré jaune, peuvent inspirer de grands créateurs. Certaines pièces, plus artistiques, m’ont particulièrement marquée par leur originalité.

L’exposition consacrée au Japon m’a beaucoup touchée. Les premières photographies vers 1850 sont impressionnantes, malgré les limites techniques de l’époque. Felice Beato réussissait déjà à créer de magnifiques panoramas. Dans une approche plus contemporaine, le travail de Anaïs López m’a séduite par son univers poétique et intrigant.

Nous avons ensuite poursuivi avec l’exposition sur l’esclavage autour de l’Atlantique. Dans mon travail, je suis confrontée aux questions de mémoire et de transmission des violences. Cette exposition fait écho à ces thématiques, en montrant comment ce passé continue d’influencer notre présent. Elle est à la fois émouvante, nécessaire et très pédagogique.

La salle des tapisseries a éveillé ma curiosité. Ayant visité récemment la Cité internationale de la tapisserie, je me suis interrogée sur les techniques utilisées. L’absence d’explications au musée m’a laissée sur ma faim : s’agit-il de tapisseries de type Gobelins ou des techniques d’Aubusson et Felletin ? (naturellement ce n'est pas le sujet du musée)

En faisant quelques recherches, j’ai découvert que Thomas Poyntz était plutôt un marchand dirigeant un atelier, où les artisans — souvent flamands — réalisaient concrètement les œuvres. Cela change le regard : ces tapisseries apparaissent alors comme un travail collectif, fruit d’un savoir-faire partagé. Leur richesse et leur taille laissent imaginer des mois de travail qui n'est pas expliqué dans l'expo. 

La partie consacrée aux cartes m’a également passionnée. Après avoir écouté un épisode du podcast de Passion Médiévistes sur la cartographie, j’ai fait de nombreux liens. Voir les plaques de cuivre de près était fascinant.

Le musée lui-même vaut la visite : la coupole dans la cour intérieure est impressionnante et très agréable pour faire une pause. C’est aussi un lieu adapté aux enfants et facilement accessible depuis la Gare centrale d’Amsterdam. La promenade jusqu’au musée permet d’ailleurs de ressentir pleinement le caractère maritime de la ville.

Une journée riche, entre découvertes, émotions et réflexions.


lundi, mars 23, 2026

Un fil entre Valenciennes et Utrecht -- Een draad tussen Valenciennes en Utrecht

Onder de Franse tekst vindt je de Nederlandse versie.

 Je ne sais pas si vous le savez, mais je suis née à Valenciennes, dans le nord de la France, à une vingtaine de kilomètres de la frontière belge. C’est une région marquée par l’histoire, mais je n’en avais pas vraiment conscience quand je suis partie pour venir à Utrecht.

Bien sûr, je devais changer de langue, d’habitudes, de culture. Cela me semblait moins difficile que de partir pour Cannes ou Biarritz… mais ça, je vous le raconterai peut-être dans un autre article.

Valenciennes et Utrecht faisaient partie d’un même ensemble géopolitique : les Pays-Bas espagnols (XVIe–XVIIe siècle). Après la guerre de Quatre-Vingts Ans, les Provinces-Unies, protestantes, avec Utrecht, se révoltent contre l’Espagne et deviennent indépendantes à la fin du XVIe siècle. Le sud, avec Valenciennes, reste espagnol et catholique.

Mais cette région est très convoitée : c’est une clé stratégique sur l’Escaut et un verrou sur la route de Bruxelles.

Vauban, maître d’œuvre du siège, utilisa pour la première fois sa méthode des « tranchées parallèles », perfectionnant l’art de l’approche progressive. Les Français commencèrent les travaux de siège à la fin de février 1677, malgré le froid et la résistance espagnole. Après trois semaines d’opérations méthodiques, la brèche fut ouverte, et la garnison espagnole capitula le 17 mars.

En 1677, Louis XIV annexe Valenciennes, qui s’intègre progressivement à la France.

Quelques décennies plus tard, le traité d’Utrecht, en 1713, vient stabiliser cette frontière. Derrière les décisions diplomatiques prises aux Pays-Bas, ce sont aussi des villes comme Valenciennes qui changent durablement de destin.

Avec les années, je me suis construite entre deux cultures. Française par naissance. Néerlandaise par choix de vie. Mais au fond, ces deux identités ne s’opposent pas. Elles se complètent. Elles racontent une histoire commune, faite de frontières mouvantes, d’échanges et de liens anciens.

Entre Valenciennes et Utrecht, il n’y a pas seulement un trajet de quelques heures. Il y a un lien.

                                                                      La maison espagnole a Valenciennes 

Ik weet niet of je het weet, maar ik ben geboren in Valenciennes, in Noord-Frankrijk, ongeveer twintig kilometer van de Belgische grens. Het is een regio met een rijke geschiedenis, maar daar was ik me niet echt van bewust toen ik naar Utrecht verhuisde.

Natuurlijk moest ik mijn taal, mijn gewoonten en mijn cultuur aanpassen. Het leek me minder moeilijk om naar Cannes of Biarritz te verhuizen… maar daarover vertel ik je misschien wel in een ander artikel.

Valenciennes en Utrecht maakten deel uit van dezelfde geopolitieke entiteit: de Spaanse Nederlanden (XVIe–XVIIe eeuw). Na de Tachtigjarige Oorlog kwamen de protestantse Verenigde Provinciën, waaronder Utrecht, in opstand tegen Spanje en werden aan het einde van de XVIe eeuw onafhankelijk. Het zuiden, inclusief Valenciennes, bleef Spaans en katholiek.

Maar deze regio was zeer gewild: het was een strategische sleutel tot de Schelde en een belangrijke schakel op de weg naar Brussel.

Vauban, het brein achter het beleg, gebruikte voor het eerst zijn methode van “parallelle loopgraven” en perfectioneerde daarmee de kunst van de geleidelijke aanval. De Fransen begonnen eind februari 1677 met het beleg, ondanks de kou en het Spaanse verzet. Na drie weken van methodische operaties werd de bres geslagen en capituleerde het Spaanse garnizoen op 17 maart.

In 1677 annexeerde Lodewijk XIV Valenciennes, dat geleidelijk in Frankrijk werd geïntegreerd.

Enkele decennia later stabiliseerde het Verdrag van Utrecht in 1713 deze grens. Naast de diplomatieke beslissingen in Nederland ondergingen steden zoals Valenciennes ook ingrijpende veranderingen in hun lot.

In de loop der jaren heb ik een gevoel van verbondenheid ontwikkeld tussen twee culturen: Frans van mijn geboorte en Nederlands uit keuze. Maar uiteindelijk komen deze twee identiteiten elkaar niet in de weg. Ze vullen elkaar aan. Ze vertellen een gedeeld verhaal, een verhaal van verschuivende grenzen, uitwisselingen en langdurige banden.

Tussen Valenciennes en Utrecht ligt meer dan alleen een reis van een paar uur. Er is een verbinding.


dimanche, mars 01, 2026

Mars exceptionnel : quand les municipales françaises et néerlandaises se rencontrent -- Een uitzonderlijke maart: wanneer de Franse en Nederlandse gemeenteraadsverkiezingen samenvallen

La version française suit la version Neerlandaise 

Deze maand maart heeft voor mij een speciaal tintje. Als Franco-Nederlandse volg ik de gemeenteraadsverkiezingen aan beide kanten van de grens. In Frankrijk hangen de prikborden vol met posters en strijden de kandidaten met slogans. In Nederland trekken de partijen de markten af, delen ze folders uit en houden ze talloze lokale debatten.

Zie je een verschil, zou je zeggen? Ik besef dat we niet helemaal hetzelfde kiezen, en zeker niet op dezelfde manier.

In Frankrijk stemmen de kiezers op de leden van de gemeenteraad. Sinds de recente hervorming van het kiesstelsel worden verkiezingen overal gehouden op basis van partijlijsten. Zodra de gemeenteraad is samengesteld, kiezen de leden de burgemeester uit hun midden. Burgers stemmen niet rechtstreeks op de burgemeester; deze wordt gekozen door de meerderheid in de raad.

In Nederland stemmen burgers tijdens de gemeenteraadsverkiezingen ook op de gemeenteraad. Het verschil zit hem in het kiesstelsel: het is volledig proportioneel, zonder meerderheidsbonus. De samenstelling van de gemeenteraad weerspiegelt daarom zeer nauwkeurig de verdeling van de stemmen, wat bijna altijd leidt tot de vorming van coalities — typisch Nederlands.

De burgemeester (burgemeester) wordt daarentegen niet door de burgers gekozen. Hij of zij wordt benoemd bij koninklijk besluit, na een procedure waarbij de gemeenteraad een belangrijke rol speelt door een aanbeveling te doen. De koning formaliseert vervolgens de benoeming.

Tijdens het volgen van de campagne in de Franse regio waar ik mijn vakantie doorbreng, vernam ik dat sommige gemeenten geen kandidaten voordragen. In deze regio zijn de gemeenten erg klein en vergrijst de bevolking. In dat geval grijpt de staat in: de prefect kan een speciale delegatie aanstellen die de gemeente tijdelijk bestuurt totdat een nieuwe gemeenteraad is gekozen.

Dit jaar experimenteren sommige Nederlandse steden met een nieuw, kleiner en compacter stembiljet. Wie in Nederland al eens heeft gestemd, kent de enorme vellen papier die je zorgvuldig in het stemhokje moet uitvouwen. Bovendien moet je vaak de naam van de kandidaat op wie je wilt stemmen opzoeken, wat behoorlijk tijdrovend kan zijn.

Het nieuwe stembiljet is aanzienlijk kleiner: de partijen staan duidelijk vermeld, terwijl de kandidaten met een nummer worden aangeduid. De volledige lijst blijft beschikbaar voor inzage in het stemlokaal.

Dit logistieke detail lijkt misschien onbelangrijk, maar het illustreert perfect een typisch Nederlandse werkwijze: verbeteren, vereenvoudigen en stroomlijnen. Ik hoop dat dit formulier overal zal worden gebruikt, want voor iemand die helpt met het tellen van de stemmen voelt het openen van deze formulieren als een kleine revolutie.

Omdat ik afwisselend in Frankrijk en Nederland woon, besef ik dat stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen niet precies hetzelfde betekent. Enerzijds een systeem dat een duidelijke meerderheid bevordert. Anderzijds een proportionele vertegenwoordiging die compromissen stimuleert — en zelfs zeer concrete vernieuwingen in de manier waarop we stemmen.

Voor mij is deze maand maart meer dan alleen een verkiezing. Het herinnert eraan dat lokale democratie niet één enkele vorm kent. Ze weerspiegelt de geschiedenis, politieke cultuur en hoe elk land de balans tussen vertegenwoordiging, stabiliteit en consensus opvat.

En uiteindelijk betekent het Frans-Nederlands zijn misschien ook wel dit: leren navigeren tussen twee verschillende manieren van burgerschap.



Ce mois de mars a pour moi une saveur particulière. Franco-Néerlandaise, je vois défiler les campagnes municipales des deux côtés de la frontière. En France, les affiches s’alignent sur les panneaux officiels et les listes rivalisent de slogans. Aux Pays-Bas, les partis sillonnent les marchés, distribuent des tracts et multiplient les débats locaux.

Vois-tu une différence ? Me direz-vous. Je me rends compte que l’on ne vote pas tout à fait pour la même chose, et surtout pas de la même manière.

En France, les électeurs élisent les membres du conseil municipal. Depuis la réforme récente du mode de scrutin, l’élection se fait partout par listes. Une fois le conseil municipal installé, ses membres élisent le maire parmi eux. Les citoyens ne votent donc pas directement pour le maire, mais celui-ci est issu de la majorité formée au sein du conseil.

Aux Pays-Bas, lors des gemeenteraadsverkiezingen, les citoyens élisent également un conseil municipal. La différence réside dans le mode de scrutin : il est entièrement proportionnel, sans prime majoritaire. La composition du conseil reflète donc très précisément la répartition des voix, ce qui conduit presque toujours à la formation de coalitions — très néerlandaise.

En revanche, le maire (burgemeester) n’est pas élu par les citoyens. Il est nommé par décret royal, à l’issue d’une procédure dans laquelle le conseil municipal joue un rôle important en formulant une recommandation. Le roi l’officialise ensuite.

En suivant la campagne dans la région française où je passe mes vacances, j’ai appris que certaines communes ne présentaient aucune liste. Dans cette région, les communes sont très petites et la population vieillissante. Dans ce cas, si aucune candidature n’est déposée, l’État intervient : le préfet peut nommer une délégation spéciale chargée d’administrer provisoirement la commune jusqu’à ce qu’un nouveau conseil municipal puisse être élu.

Cette année, certaines villes néerlandaises expérimentent un nouveau format de bulletin de vote, plus petit et plus compact. Ceux qui ont déjà voté aux Pays-Bas connaissent ces immenses feuilles de papier qu’il faut déplier avec précaution dans l’isoloir. De plus, il faut souvent chercher le nom du candidat pour lequel on veut voter, ce qui peut être assez fastidieux. Le nouveau bulletin réduit considérablement la taille du document : les partis y figurent clairement, tandis que les candidats sont identifiés par un numéro. La liste complète reste consultable dans le bureau de vote.

Ce détail logistique peut sembler anodin, mais il illustre bien un réflexe très néerlandais : améliorer, simplifier, rationaliser. J’espère que ce bulletin sera utilisé partout, car en tant que personne qui participe au dépouillement, l’ouverture de ces bulletins représente pour moi une petite révolution.

En vivant entre la France et les Pays-Bas, je réalise que voter pour « les municipales » ne signifie pas exactement la même chose. D’un côté, un système qui favorise l’émergence d’une majorité claire. De l’autre, une représentation proportionnelle qui encourage le compromis — et même des innovations très concrètes dans la manière de voter.

Pour moi, ce mois de mars est plus qu’un simple rendez-vous électoral. C’est un rappel que la démocratie locale n’a pas une seule forme. Elle reflète l’histoire, la culture politique et la manière dont chaque pays conçoit l’équilibre entre représentation, stabilité et consensus.

Et finalement, être Franco-Néerlandaise, c’est peut-être aussi cela : apprendre à naviguer entre deux manières différentes d’être citoyenne.