dimanche, mars 29, 2026

Een dag in het Scheepvaartmuseum -- Une journée au musée maritime

Vous pouvez lire le texte en francais apres le texte en neerlandais. 


Gisteren heb ik een heel mooie dag gehad in Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, een plek die zowel rijk is aan tentoonstellingen als aan architectuur.

Op aanraden van een collega ontdekte ik de tentoonstelling Oceanista, waar mode op een originele manier de maritieme wereld verkent. Het laat zien hoe eenvoudige, praktische kledingstukken, zoals het Bretonse gestreepte overhemd of de gele oliejas, grote ontwerpers hebben geïnspireerd. Vooral enkele meer artistieke stukken vielen me op door hun originaliteit.

De tentoonstelling over Japan ontroerde me. De eerste foto’s van rond 1850 zijn indrukwekkend, ondanks de technische beperkingen van die tijd. Felice Beato slaagde er toen al in om prachtige panorama’s te maken. In een meer hedendaags deel van de tentoonstelling boeide het werk van Anaïs López me door haar poëtische en intrigerende aanpak.

Vervolgens bezochten we de tentoonstelling over slavernij rond de Atlantische Oceaan. In mijn werk houd ik me bezig met vragen over herinnering en de overdracht van geweld. Deze tentoonstelling sluit daar sterk bij aan en laat zien hoe dit verleden ons heden blijft beïnvloeden. Ze is tegelijkertijd ontroerend, noodzakelijk en zeer leerzaam.

De zaal met wandtapijten wekte mijn nieuwsgierigheid. Omdat ik onlangs het Internationaal Tapijtcentrum in Aubusson heb bezocht, was ik benieuwd naar de gebruikte technieken. Het gebrek aan uitleg in het museum vond ik dan ook wat teleurstellend: gaat het hier om wandtapijten in de stijl van Gobelins, of eerder om technieken uit Aubusson en Felletin? (Al besef ik natuurlijk dat dit niet het hoofdonderwerp van het museum is.)

Uit wat onderzoek bleek dat Thomas Poyntz vooral een handelaar was die een atelier leidde, waar de ambachtslieden — vaak Vlamingen — de werken daadwerkelijk uitvoerden. Dit verandert het perspectief: deze wandtapijten lijken eerder het resultaat van collectief werk en gedeelde expertise. Hun rijkdom en omvang doen vermoeden dat er maanden werk in zat.

De afdeling met kaarten fascineerde me ook. Na het luisteren naar een aflevering van de podcast van Passion Médiévistes over cartografie, legde ik veel verbanden. Het was bijzonder om de koperplaten van dichtbij te kunnen bekijken.

Het museum zelf is zeker een bezoek waard: de koepel op de binnenplaats is indrukwekkend en een aangename plek om even te pauzeren. Het is ook kindvriendelijk en gemakkelijk bereikbaar vanaf Amsterdam Centraal. De wandeling naar het museum laat je de maritieme sfeer van de stad goed ervaren.

Een rijke dag vol ontdekkingen, emoties en reflecties.


                                               Musée national de la Marine a Amsterdam - Het scheepvaartmuseum Amsterdam

Hier, j’ai passé une très belle journée au Musée national de la Marine d’Amsterdam, un lieu aussi riche par ses expositions que par son architecture.

Sur les conseils d'une collègue, j’ai découvert l’exposition Oceanista, où la mode dialogue avec l’univers marin de manière originale. On y voit comment des vêtements simples et pratiques, comme la marinière ou le ciré jaune, peuvent inspirer de grands créateurs. Certaines pièces, plus artistiques, m’ont particulièrement marquée par leur originalité.

L’exposition consacrée au Japon m’a beaucoup touchée. Les premières photographies vers 1850 sont impressionnantes, malgré les limites techniques de l’époque. Felice Beato réussissait déjà à créer de magnifiques panoramas. Dans une approche plus contemporaine, le travail de Anaïs López m’a séduite par son univers poétique et intrigant.

Nous avons ensuite poursuivi avec l’exposition sur l’esclavage autour de l’Atlantique. Dans mon travail, je suis confrontée aux questions de mémoire et de transmission des violences. Cette exposition fait écho à ces thématiques, en montrant comment ce passé continue d’influencer notre présent. Elle est à la fois émouvante, nécessaire et très pédagogique.

La salle des tapisseries a éveillé ma curiosité. Ayant visité récemment la Cité internationale de la tapisserie, je me suis interrogée sur les techniques utilisées. L’absence d’explications au musée m’a laissée sur ma faim : s’agit-il de tapisseries de type Gobelins ou des techniques d’Aubusson et Felletin ? (naturellement ce n'est pas le sujet du musée)

En faisant quelques recherches, j’ai découvert que Thomas Poyntz était plutôt un marchand dirigeant un atelier, où les artisans — souvent flamands — réalisaient concrètement les œuvres. Cela change le regard : ces tapisseries apparaissent alors comme un travail collectif, fruit d’un savoir-faire partagé. Leur richesse et leur taille laissent imaginer des mois de travail qui n'est pas expliqué dans l'expo. 

La partie consacrée aux cartes m’a également passionnée. Après avoir écouté un épisode du podcast de Passion Médiévistes sur la cartographie, j’ai fait de nombreux liens. Voir les plaques de cuivre de près était fascinant.

Le musée lui-même vaut la visite : la coupole dans la cour intérieure est impressionnante et très agréable pour faire une pause. C’est aussi un lieu adapté aux enfants et facilement accessible depuis la Gare centrale d’Amsterdam. La promenade jusqu’au musée permet d’ailleurs de ressentir pleinement le caractère maritime de la ville.

Une journée riche, entre découvertes, émotions et réflexions.


lundi, mars 23, 2026

Un fil entre Valenciennes et Utrecht -- Een draad tussen Valenciennes en Utrecht

Onder de Franse tekst vindt je de Nederlandse versie.

 Je ne sais pas si vous le savez, mais je suis née à Valenciennes, dans le nord de la France, à une vingtaine de kilomètres de la frontière belge. C’est une région marquée par l’histoire, mais je n’en avais pas vraiment conscience quand je suis partie pour venir à Utrecht.

Bien sûr, je devais changer de langue, d’habitudes, de culture. Cela me semblait moins difficile que de partir pour Cannes ou Biarritz… mais ça, je vous le raconterai peut-être dans un autre article.

Valenciennes et Utrecht faisaient partie d’un même ensemble géopolitique : les Pays-Bas espagnols (XVIe–XVIIe siècle). Après la guerre de Quatre-Vingts Ans, les Provinces-Unies, protestantes, avec Utrecht, se révoltent contre l’Espagne et deviennent indépendantes à la fin du XVIe siècle. Le sud, avec Valenciennes, reste espagnol et catholique.

Mais cette région est très convoitée : c’est une clé stratégique sur l’Escaut et un verrou sur la route de Bruxelles.

Vauban, maître d’œuvre du siège, utilisa pour la première fois sa méthode des « tranchées parallèles », perfectionnant l’art de l’approche progressive. Les Français commencèrent les travaux de siège à la fin de février 1677, malgré le froid et la résistance espagnole. Après trois semaines d’opérations méthodiques, la brèche fut ouverte, et la garnison espagnole capitula le 17 mars.

En 1677, Louis XIV annexe Valenciennes, qui s’intègre progressivement à la France.

Quelques décennies plus tard, le traité d’Utrecht, en 1713, vient stabiliser cette frontière. Derrière les décisions diplomatiques prises aux Pays-Bas, ce sont aussi des villes comme Valenciennes qui changent durablement de destin.

Avec les années, je me suis construite entre deux cultures. Française par naissance. Néerlandaise par choix de vie. Mais au fond, ces deux identités ne s’opposent pas. Elles se complètent. Elles racontent une histoire commune, faite de frontières mouvantes, d’échanges et de liens anciens.

Entre Valenciennes et Utrecht, il n’y a pas seulement un trajet de quelques heures. Il y a un lien.

                                                                      La maison espagnole a Valenciennes 

Ik weet niet of je het weet, maar ik ben geboren in Valenciennes, in Noord-Frankrijk, ongeveer twintig kilometer van de Belgische grens. Het is een regio met een rijke geschiedenis, maar daar was ik me niet echt van bewust toen ik naar Utrecht verhuisde.

Natuurlijk moest ik mijn taal, mijn gewoonten en mijn cultuur aanpassen. Het leek me minder moeilijk om naar Cannes of Biarritz te verhuizen… maar daarover vertel ik je misschien wel in een ander artikel.

Valenciennes en Utrecht maakten deel uit van dezelfde geopolitieke entiteit: de Spaanse Nederlanden (XVIe–XVIIe eeuw). Na de Tachtigjarige Oorlog kwamen de protestantse Verenigde Provinciën, waaronder Utrecht, in opstand tegen Spanje en werden aan het einde van de XVIe eeuw onafhankelijk. Het zuiden, inclusief Valenciennes, bleef Spaans en katholiek.

Maar deze regio was zeer gewild: het was een strategische sleutel tot de Schelde en een belangrijke schakel op de weg naar Brussel.

Vauban, het brein achter het beleg, gebruikte voor het eerst zijn methode van “parallelle loopgraven” en perfectioneerde daarmee de kunst van de geleidelijke aanval. De Fransen begonnen eind februari 1677 met het beleg, ondanks de kou en het Spaanse verzet. Na drie weken van methodische operaties werd de bres geslagen en capituleerde het Spaanse garnizoen op 17 maart.

In 1677 annexeerde Lodewijk XIV Valenciennes, dat geleidelijk in Frankrijk werd geïntegreerd.

Enkele decennia later stabiliseerde het Verdrag van Utrecht in 1713 deze grens. Naast de diplomatieke beslissingen in Nederland ondergingen steden zoals Valenciennes ook ingrijpende veranderingen in hun lot.

In de loop der jaren heb ik een gevoel van verbondenheid ontwikkeld tussen twee culturen: Frans van mijn geboorte en Nederlands uit keuze. Maar uiteindelijk komen deze twee identiteiten elkaar niet in de weg. Ze vullen elkaar aan. Ze vertellen een gedeeld verhaal, een verhaal van verschuivende grenzen, uitwisselingen en langdurige banden.

Tussen Valenciennes en Utrecht ligt meer dan alleen een reis van een paar uur. Er is een verbinding.


dimanche, mars 01, 2026

Mars exceptionnel : quand les municipales françaises et néerlandaises se rencontrent -- Een uitzonderlijke maart: wanneer de Franse en Nederlandse gemeenteraadsverkiezingen samenvallen

La version française suit la version Neerlandaise 

Deze maand maart heeft voor mij een speciaal tintje. Als Franco-Nederlandse volg ik de gemeenteraadsverkiezingen aan beide kanten van de grens. In Frankrijk hangen de prikborden vol met posters en strijden de kandidaten met slogans. In Nederland trekken de partijen de markten af, delen ze folders uit en houden ze talloze lokale debatten.

Zie je een verschil, zou je zeggen? Ik besef dat we niet helemaal hetzelfde kiezen, en zeker niet op dezelfde manier.

In Frankrijk stemmen de kiezers op de leden van de gemeenteraad. Sinds de recente hervorming van het kiesstelsel worden verkiezingen overal gehouden op basis van partijlijsten. Zodra de gemeenteraad is samengesteld, kiezen de leden de burgemeester uit hun midden. Burgers stemmen niet rechtstreeks op de burgemeester; deze wordt gekozen door de meerderheid in de raad.

In Nederland stemmen burgers tijdens de gemeenteraadsverkiezingen ook op de gemeenteraad. Het verschil zit hem in het kiesstelsel: het is volledig proportioneel, zonder meerderheidsbonus. De samenstelling van de gemeenteraad weerspiegelt daarom zeer nauwkeurig de verdeling van de stemmen, wat bijna altijd leidt tot de vorming van coalities — typisch Nederlands.

De burgemeester (burgemeester) wordt daarentegen niet door de burgers gekozen. Hij of zij wordt benoemd bij koninklijk besluit, na een procedure waarbij de gemeenteraad een belangrijke rol speelt door een aanbeveling te doen. De koning formaliseert vervolgens de benoeming.

Tijdens het volgen van de campagne in de Franse regio waar ik mijn vakantie doorbreng, vernam ik dat sommige gemeenten geen kandidaten voordragen. In deze regio zijn de gemeenten erg klein en vergrijst de bevolking. In dat geval grijpt de staat in: de prefect kan een speciale delegatie aanstellen die de gemeente tijdelijk bestuurt totdat een nieuwe gemeenteraad is gekozen.

Dit jaar experimenteren sommige Nederlandse steden met een nieuw, kleiner en compacter stembiljet. Wie in Nederland al eens heeft gestemd, kent de enorme vellen papier die je zorgvuldig in het stemhokje moet uitvouwen. Bovendien moet je vaak de naam van de kandidaat op wie je wilt stemmen opzoeken, wat behoorlijk tijdrovend kan zijn.

Het nieuwe stembiljet is aanzienlijk kleiner: de partijen staan duidelijk vermeld, terwijl de kandidaten met een nummer worden aangeduid. De volledige lijst blijft beschikbaar voor inzage in het stemlokaal.

Dit logistieke detail lijkt misschien onbelangrijk, maar het illustreert perfect een typisch Nederlandse werkwijze: verbeteren, vereenvoudigen en stroomlijnen. Ik hoop dat dit formulier overal zal worden gebruikt, want voor iemand die helpt met het tellen van de stemmen voelt het openen van deze formulieren als een kleine revolutie.

Omdat ik afwisselend in Frankrijk en Nederland woon, besef ik dat stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen niet precies hetzelfde betekent. Enerzijds een systeem dat een duidelijke meerderheid bevordert. Anderzijds een proportionele vertegenwoordiging die compromissen stimuleert — en zelfs zeer concrete vernieuwingen in de manier waarop we stemmen.

Voor mij is deze maand maart meer dan alleen een verkiezing. Het herinnert eraan dat lokale democratie niet één enkele vorm kent. Ze weerspiegelt de geschiedenis, politieke cultuur en hoe elk land de balans tussen vertegenwoordiging, stabiliteit en consensus opvat.

En uiteindelijk betekent het Frans-Nederlands zijn misschien ook wel dit: leren navigeren tussen twee verschillende manieren van burgerschap.



Ce mois de mars a pour moi une saveur particulière. Franco-Néerlandaise, je vois défiler les campagnes municipales des deux côtés de la frontière. En France, les affiches s’alignent sur les panneaux officiels et les listes rivalisent de slogans. Aux Pays-Bas, les partis sillonnent les marchés, distribuent des tracts et multiplient les débats locaux.

Vois-tu une différence ? Me direz-vous. Je me rends compte que l’on ne vote pas tout à fait pour la même chose, et surtout pas de la même manière.

En France, les électeurs élisent les membres du conseil municipal. Depuis la réforme récente du mode de scrutin, l’élection se fait partout par listes. Une fois le conseil municipal installé, ses membres élisent le maire parmi eux. Les citoyens ne votent donc pas directement pour le maire, mais celui-ci est issu de la majorité formée au sein du conseil.

Aux Pays-Bas, lors des gemeenteraadsverkiezingen, les citoyens élisent également un conseil municipal. La différence réside dans le mode de scrutin : il est entièrement proportionnel, sans prime majoritaire. La composition du conseil reflète donc très précisément la répartition des voix, ce qui conduit presque toujours à la formation de coalitions — très néerlandaise.

En revanche, le maire (burgemeester) n’est pas élu par les citoyens. Il est nommé par décret royal, à l’issue d’une procédure dans laquelle le conseil municipal joue un rôle important en formulant une recommandation. Le roi l’officialise ensuite.

En suivant la campagne dans la région française où je passe mes vacances, j’ai appris que certaines communes ne présentaient aucune liste. Dans cette région, les communes sont très petites et la population vieillissante. Dans ce cas, si aucune candidature n’est déposée, l’État intervient : le préfet peut nommer une délégation spéciale chargée d’administrer provisoirement la commune jusqu’à ce qu’un nouveau conseil municipal puisse être élu.

Cette année, certaines villes néerlandaises expérimentent un nouveau format de bulletin de vote, plus petit et plus compact. Ceux qui ont déjà voté aux Pays-Bas connaissent ces immenses feuilles de papier qu’il faut déplier avec précaution dans l’isoloir. De plus, il faut souvent chercher le nom du candidat pour lequel on veut voter, ce qui peut être assez fastidieux. Le nouveau bulletin réduit considérablement la taille du document : les partis y figurent clairement, tandis que les candidats sont identifiés par un numéro. La liste complète reste consultable dans le bureau de vote.

Ce détail logistique peut sembler anodin, mais il illustre bien un réflexe très néerlandais : améliorer, simplifier, rationaliser. J’espère que ce bulletin sera utilisé partout, car en tant que personne qui participe au dépouillement, l’ouverture de ces bulletins représente pour moi une petite révolution.

En vivant entre la France et les Pays-Bas, je réalise que voter pour « les municipales » ne signifie pas exactement la même chose. D’un côté, un système qui favorise l’émergence d’une majorité claire. De l’autre, une représentation proportionnelle qui encourage le compromis — et même des innovations très concrètes dans la manière de voter.

Pour moi, ce mois de mars est plus qu’un simple rendez-vous électoral. C’est un rappel que la démocratie locale n’a pas une seule forme. Elle reflète l’histoire, la culture politique et la manière dont chaque pays conçoit l’équilibre entre représentation, stabilité et consensus.

Et finalement, être Franco-Néerlandaise, c’est peut-être aussi cela : apprendre à naviguer entre deux manières différentes d’être citoyenne.


lundi, décembre 29, 2025

Du champagne aux feux d’artifice 🥂🎆Van champagne tot vuurwerk

Nederlands onderaan na de afbeelding 

Les fêtes de fin d’année sont toujours un moment particulier, surtout quand on vit entre deux cultures. Entre la France et les Pays-Bas, les différences sont parfois amusantes, parfois déroutantes, et souvent révélatrices de deux façons très différentes de célébrer.

Les Néerlandais aiment rappeler aux Français qu’ils auraient trop de jours fériés… sauf pour Noël. En France, le 26 décembre est un jour comme les autres, alors qu’aux Pays-Bas, on profite encore de repas en famille ou au restaurant. J’ai même parfois l’impression que seule la France ne fête pas ce deuxième jour de Noël en Europe.

Mais la différence la plus frappante se situe sans doute dans la manière de célébrer le Nouvel An.

En France, la Saint-Sylvestre est synonyme de paillettes, de champagne et de repas raffinés entre amis, tandis que Noël reste plus familial et traditionnel. À minuit, on se fait la bise et on se souhaite une bonne et heureuse année, dans une ambiance plutôt élégante et feutrée.

Aux Pays-Bas, on mange des oliebollen (des beignets) et on attend minuit pour faire exploser pétards et feux d’artifice. Dans certaines villes, le spectacle commence dès la fin de l’après-midi et atteint son apogée entre minuit et une heure du matin. Quand la nuit est sèche et froide, le spectacle est impressionnant… et parfois même assourdissant.

Je me souviens d’une année où j’appelais mes parents à minuit. Les enfants, entendant toutes ces explosions autour de la maison, avaient cru qu’il y avait une guerre aux Pays-Bas. À l’époque, les téléphones portables existaient à peine, et sans voir les feux d’artifice, le bruit pouvait vraiment inquiéter.

Pour une jeune Française habituée à une Saint-Sylvestre plus calme, mon premier Nouvel An aux Pays-Bas a été un vrai choc. À l’inverse, certaines années passées en Creuse, mon fils regrettait, cette nuit-là, le calme de la campagne.

L’année prochaine, les feux d’artifice seront interdits aux Pays-Bas. Une décision compréhensible, car ils sont dangereux, polluants et sources de stress. Malgré tout, j’aime cette tradition lorsqu’elle est pratiquée de manière responsable, comme un moment de transmission et de respect des règles. Hélas, l’alcool transforme trop souvent la fête en situation à risque. J’espère donc que les villes proposeront des spectacles organisés, pour préserver la magie sans en subir les excès.

Entre traditions françaises et habitudes néerlandaises, le passage à la nouvelle année reflète deux visions très différentes de la fête. Qu’il se fasse dans le calme ou sous un ciel illuminé, le Nouvel An reste avant tout un moment pour tourner la page et regarder vers l’avenir.



De feestdagen zijn altijd een bijzondere periode, vooral wanneer je tussen twee culturen leeft. Tussen Frankrijk en Nederland zijn de verschillen soms grappig, soms verwarrend, maar ze laten vooral twee heel verschillende manieren van vieren zien.

Nederlanders houden er graag aan vast om Fransen te plagen met het idee dat ze veel te veel feestdagen hebben… behalve met Kerst. In Frankrijk is 26 december een gewone werkdag, terwijl men in Nederland nog volop geniet van etentjes met familie of in restaurants. Soms heb ik zelfs het gevoel dat Frankrijk het enige land in Europa is dat deze tweede kerstdag niet viert.

Maar het grootste verschil zit zonder twijfel in de manier waarop Oud en Nieuw wordt gevierd.

In Frankrijk staat Oudjaarsavond vooral voor glitter, champagne en verfijnde diners met vrienden, terwijl Kerstmis meer draait om familie en traditie. Om middernacht geeft men elkaar zoenen en wenst men elkaar een gelukkig nieuwjaar, in een eerder elegante en rustige sfeer.

In Nederland eet men oliebollen en wacht men tot middernacht om massaal vuurwerk af te steken. In sommige steden begint dat vuurwerk al in de namiddag en bereikt het zijn hoogtepunt tussen middernacht en één uur ’s nachts. Als de nacht droog en koud is, is het spektakel indrukwekkend… en soms zelfs oorverdovend.

Ik herinner me een jaar waarin ik mijn ouders om middernacht belde. De kinderen, die al die knallen rondom het huis hoorden, dachten dat er oorlog was uitgebroken in Nederland. Mobiele telefoons waren toen nog nauwelijks in gebruik en zonder het vuurwerk te zien, kon het lawaai echt beangstigend zijn.

Voor een jonge Française die gewend was aan een veel rustigere Oudjaarsavond, was mijn eerste Oud en Nieuw in Nederland een echte schok. Omgekeerd, in de jaren dat we de feestdagen in de Creuse doorbrachten, klaagde mijn zoon juist over de stilte van het platteland.

Volgend jaar wordt vuurwerk in Nederland verboden. Een begrijpelijke beslissing, want vuurwerk is gevaarlijk, vervuilend en zorgt voor veel stress. Toch blijf ik deze traditie waarderen wanneer ze op een verantwoorde manier wordt gevierd, als een moment van overdracht en respect voor regels. Helaas verandert alcohol de feestvreugde maar al te vaak in een risicovolle situatie. Daarom hoop ik dat steden georganiseerde vuurwerkshows zullen aanbieden, zodat de magie behouden blijft zonder de nadelen.

Tussen Franse tradities en Nederlandse gewoonten laat de overgang naar het nieuwe jaar twee heel verschillende visies op vieren zien. Of het nu in alle rust gebeurt of onder een fel verlichte hemel, Nieuwjaar blijft vooral een moment om een bladzijde om te slaan en vooruit te kijken.

samedi, novembre 01, 2025

Utrecht, de stille kracht van een gewonde stad - Utrecht, la force tranquille d’une ville blessée

🟦 De Nederlandse versie volgt hieronder.

 Au cœur des Pays-Bas se trouve une ville pleine de charme. Ville universitaire depuis 1636, elle est riche d’histoire et de culture. Cinquième ville du pays, Trajectum du temps des Romains, Utrecht est donc très ancienne. Elle est célèbre pour son « Dom », sa cathédrale emblématique, longtemps dissimulée derrière d’affreux échafaudages, mais désormais de nouveau visible pour le plus grand plaisir des habitants et des touristes.

Utrecht est aussi célèbre pour sa cathédrale, frappée par une tempête extraordinaire en 1674. À cette époque, on ne parlait pas encore de changement climatique, mais les catastrophes naturelles existaient déjà.

Le mois d’août 1674 débuta sous un véritable déluge. Parti du centre de la France, le mauvais temps traversa les Pays-Bas méridionaux pour atteindre la République. Le 1er août, vers 20 heures, une terrible tempête éclata sur Utrecht, accompagnée de tonnerre, d’éclairs, de vents violents, de pluie et de grêle. Certains témoins évoquèrent même une tornade. En un quart d’heure, la nef de la cathédrale fut frappée de plein fouet, tandis que, par miracle, la tour du Dom resta presque intacte. C’est cet événement qui confère aujourd’hui à Utrecht sa silhouette si particulière.

Bien sûr, Utrecht ne fut pas la seule ville touchée. Les dégâts s’étendirent de Fontainebleau à Texel. À Strasbourg, il tomba une grêle abondante ; à Francfort-sur-le-Main, les rues furent recouvertes d’une couche de grêle atteignant les genoux. La liste des villes sinistrées est longue : citons notamment Bruxelles, Gand, Rozendaal, Hilversum, Amsterdam et Hambourg.

Ce qui rend Utrecht encore plus singulière, c’est que les ruines de la cathédrale ne furent pas rapidement dégagées. Ce n’est qu’en 1690 que les vestiges furent entièrement murés. Faute de moyens, une grande partie des ruines resta en place pendant près d’un siècle et demi. En 1826, les décombres de la nef furent enfin déblayés et vendus.

Entre-temps, la partie effondrée de l’église servit de lieu de rencontre à certains hommes homosexuels. À la suite d’une plainte déposée par le gardien de la tour du Dom, les autorités ouvrirent une enquête sur des « actes de sodomie » aux abords de la cathédrale.

À Utrecht, 18 suspects furent condamnés à mort et étranglés. Des personnalités averties prirent la fuite. L’affaire s’étendit à La Haye, Groningue et d’autres villes. Au total, 289 hommes furent poursuivis, dont 70 exécutés. Pendant longtemps, le terme Utrechtenaar (habitant d’Utrecht) devint synonyme d’« homosexuel ».

Utrecht a connu le vent, les pierres qui tombent, et la peur des hommes. Pourtant, elle s’est relevée sans jamais perdre sa beauté. Aujourd’hui, c’est une ville vivante et tolérante, où l’histoire ne pèse pas, mais inspire.

Bron: commons wikimedia

In het hart van Nederland ligt een stad vol charme. Een universiteitsstad sinds 1636, rijk aan geschiedenis en cultuur. Utrecht, de vijfde stad van het land, Trajectum in de Romeinse tijd, is dan ook zeer oud. De stad is beroemd om haar Dom, de iconische kathedraal die lange tijd verborgen was achter onooglijke steigers, maar nu weer zichtbaar is tot groot genoegen van zowel de inwoners als de bezoekers.

Utrecht is ook beroemd om zijn kathedraal, die in 1674 werd getroffen door een uitzonderlijke storm. Klimaatverandering was toen nog geen onderwerp van gesprek, maar natuurrampen waren al een realiteit.

De maand augustus 1674 begon met een ware zondvloed. De storm, ontstaan in Midden-Frankrijk, trok over de Zuidelijke Nederlanden en bereikte uiteindelijk de Republiek. Op 1 augustus, rond 20.00 uur, barstte er een verschrikkelijke storm los boven Utrecht, gepaard gaand met donder, bliksem, hevige windstoten, regen en hagel. Sommige getuigen spraken zelfs van een tornado. Binnen een kwartier werd het schip van de kathedraal frontaal getroffen, terwijl de Domtoren wonderbaarlijk genoeg vrijwel intact bleef. Deze gebeurtenis geeft Utrecht tot op de dag van vandaag haar karakteristieke silhouet.

Natuurlijk was Utrecht niet de enige getroffen stad. De schade strekte zich uit van Fontainebleau tot Texel. In Straatsburg viel zware hagel; in Frankfurt am Main lagen de straten bedekt met een laag hagel tot kniehoogte. De lijst van getroffen steden is lang: Brussel, Gent, Rozendaal, Hilversum, Amsterdam en Hamburg behoorden er allemaal toe.

Wat Utrecht nog opmerkelijker maakt, is dat de ruïnes van de kathedraal niet snel werden opgeruimd. Pas in 1690 werden de resten volledig dichtgemetseld. Bij gebrek aan middelen bleef een groot deel van de ruïne bijna anderhalve eeuw staan. In 1826 werd het puin van het schip eindelijk verwijderd en verkocht.

In de tussentijd diende het ingestorte deel van de kerk als ontmoetingsplaats voor homoseksuele mannen. Naar aanleiding van een klacht van de beheerder van de Domtoren startten de autoriteiten een onderzoek naar “sodomie” in de omgeving van de Dom.

In Utrecht werden 18 verdachten ter dood veroordeeld en gewurgd. Enkele goed geïnformeerde personen sloegen op de vlucht. De affaire verspreidde zich naar Den Haag, Groningen en andere steden. In totaal werden 289 mannen vervolgd, van wie er 70 werden geëxecuteerd. De term Utrechtenaar was lange tijd een synoniem voor “homoseksueel”.

Utrecht heeft stormen, vallende stenen en de angst van mensen gekend. Toch is de stad telkens weer opgestaan, zonder ooit haar schoonheid te verliezen. Vandaag is het een levendige en tolerante stad, waar de geschiedenis ons niet belast, maar inspireert.


Extra informatie in het Nederlands:

KNMI

Hoogte en dieptepunten van het domplein