Le texte en Francais est aprés la version Neerlandaise
Tijdens onze vakantie was er een ongebruikelijke gebeurtenis: Boussac maakte kans om de mooiste markt van Frankrijk te worden. Elk jaar organiseert een televisieprogramma een verkiezing van de mooiste markt van Frankrijk. Dit jaar was de markt van Boussac een van de kandidaten. Uiteindelijk eindigde hij op de vijfde plaats. „Slechts” vijfde! Toch is dat al een zeer mooie prestatie voor deze kleine markt in de Creuse.
Maar wat interessant is aan Boussac, is dat de markt helemaal niet nieuw is. Het is eigenlijk een heel oud verhaal. Al sinds de middeleeuwen stond Boussac bekend om zijn jaarmarkten. Vier keer per jaar kwamen handelaren en veehouders samen in dit kleine stadje tussen Berry en Limousin. Door zijn ligging was het een natuurlijke ontmoetingsplaats tussen deze twee provincies. De jaarmarkten waren zo belangrijk dat Boussac de bijnaam „Markt van de Marche” kreeg.
Maar Boussac is niet alleen bekend om zijn markt. Boven de Petite Creuse verheft zich het middeleeuwse kasteel. De plek was al belangrijk in de Gallo-Romeinse tijd en er werden verschillende vestingwerken gebouwd voordat Jean de Brosse het kasteel rond 1400 liet herbouwen. Nadat hij maarschalk van Frankrijk was geworden, bleef hij een trouwe metgezel van Jeanne d’Arc. Hij nam deel aan verschillende veldslagen tegen de Engelsen en vergezelde Karel VII naar Reims voor diens kroning in 1429. Hij behoorde tot de heren die belast waren met de bescherming van de Heilige Ampul tijdens het transport tussen de abdij van Saint-Remi en de kathedraal.
Een belangrijk man dus. Maar roem vult de schatkist niet: Jean de Brosse raakte volledig geruïneerd. Hij had zoveel schulden opgebouwd dat zijn lichaam na zijn dood mogelijk niet eens in gewijde grond begraven zou kunnen worden. Gelukkig voor hem was Karel VII de diensten van zijn oude wapenbroeder niet vergeten. De koning liet een speciale belasting heffen, waardoor Jean de Brosse uiteindelijk toch in gewijde grond kon worden begraven.
Het gebouw dat we vandaag zien, is heel anders dan het kasteel dat Jean de Brosse kende. Vanaf de weg beneden zien we het kasteel boven ons uittorenen, met zijn imposante gevel. Er is nog maar één balkon over. Het is gemaakt van smeedijzer en wordt in verband gebracht met George Sand. Vroeger waren er veel meer, van hout, vanwaar men het landschap kon bewonderen.
Op 14 januari 1548 werd er in Boussac een bruiloft voorbereid: die van Charles de Luxembourg, burggraaf van Martigues, en Claudine de Foix. De gehele adel van de streek was bijeengekomen. Om de gasten en het publiek te vermaken, werd er op de weide beneden het kasteel een steekspel, een soort riddertoernooi, georganiseerd. De toeschouwers namen plaats op houten galerijen. Maar deze konden hun gewicht niet dragen. De galerijen stortten in. Het feest veranderde in een tragedie, met vele doden en gewonden tot gevolg.
Na dit nogal sombere verhaal keren we terug naar iets vrolijkers. Nou ja... bijna.
Tijdens haar verblijven in Boussac verbleef George Sand in een kamer die uitkeek op de grote wachtzaal. Daar ontdekte ze zes immense wandtapijten in een erbarmelijke staat. Ze staan nu bekend als De Dame en de Eenhoorn, een van de grote meesterwerken van de middeleeuwse tapijtkunst, vaak de „Mona Lisa van de tapijtkunst” genoemd.
Maar hoe waren zulke kunstwerken in het kasteel van Boussac terechtgekomen, en vooral: hoe waren ze in zo'n slechte staat geraakt? De wandtapijten waren aan het einde van de 15e eeuw in opdracht van een vooraanstaande Franse adellijke familie gemaakt. Vervolgens gingen ze van generatie op generatie over, totdat ze uiteindelijk in Boussac belandden. Toen George Sand ze in de 19e eeuw ontdekte, hadden vocht, ratten en jarenlange verwaarlozing ze ernstig beschadigd. Sommige delen waren zelfs uitgesneden om voor andere doeleinden te worden gebruikt.
George Sand begreep meteen dat dit geen gewone oude stoffen waren. Ze vestigde de aandacht erop en Prosper Mérimée bemiddelde vervolgens bij de autoriteiten om hun behoud te regelen. De zes werken werden uiteindelijk in 1882 door de Franse staat aangekocht. Ze verlieten Boussac en gingen naar Parijs, waar ze tegenwoordig in het Musée de Cluny worden bewaard.
Maar het verhaal van Boussac eindigt daar niet. De kunstwerken lieten namelijk iets achter: het geld van hun verkoop. Een deel van dit bedrag werd gebruikt om belangrijke werkzaamheden in de stad te financieren, met name de bestrating van de Place du Champ de Foire. Nadat het plein eeuwenlang was vertrapt door mensen, paarden en dieren die naar de jaarmarkten kwamen, kreeg het eindelijk een fatsoenlijke bestrating.
En zo droegen De Dame en de Eenhoorn, enkele eeuwen na de grote middeleeuwse jaarmarkten, uiteindelijk bij aan de verbetering van… de markt van Boussac.
De op vier na mooiste markt van Frankrijk? Een prachtig resultaat, zeker. Maar na het ontdekken van zijn geschiedenis denk ik dat hij misschien wel iets beters verdiende.
Cet été, nos vacances ont été rythmées par un événement un peu particulier : Boussac pouvait devenir le plus beau marché de France. Chaque année, une émission de télévision organise en effet une élection du plus beau marché de France. Cette année, le marché de Boussac figurait parmi les candidats. Il n’a finalement obtenu que la cinquième place. « Que » la cinquième ! C’est pourtant déjà une très belle place pour ce petit marché de la Creuse.
Mais ce qui est intéressant à Boussac, c’est que son marché n’est pas une nouveauté. C’est même une très, très vieille histoire. Dès le Moyen Âge, Boussac était célèbre pour ses foires. Quatre fois par an, marchands et éleveurs se retrouvaient dans cette petite ville située entre le Berry et le Limousin. Sa position en faisait un lieu de rencontre naturel entre ces deux provinces. Ces foires étaient si importantes que Boussac a reçu le nom de « Marché de la Marche ».
Mais Boussac n’est pas seulement connue pour son marché. Au-dessus de la Petite Creuse domine le château médiéval. Le site avait déjà une importance à l’époque gallo-romaine et plusieurs fortifications s’y sont succédé avant que Jean de Brosse ne fasse reconstruire la forteresse vers 1400. Devenu maréchal de France, il est un fidèle compagnon de Jeanne d’Arc. Il participe à plusieurs combats contre les Anglais et accompagne Charles VII jusqu’à Reims pour son sacre en 1429. Il fait alors partie des seigneurs chargés de protéger la Sainte Ampoule pendant son transport entre l’abbaye de Saint-Remi et la cathédrale.
Un homme important, donc. Mais la gloire ne remplit pas les coffres : Jean de Brosse finit complètement ruiné. Il accumule tellement de dettes qu’à sa mort, son corps risque même de ne pas pouvoir être enterré en terre consacrée. Heureusement pour lui, Charles VII n’a pas oublié les services de son vieux compagnon d’armes. Le roi fait lever un impôt exceptionnel qui permet finalement à Jean de Brosse de rester tranquillement dans sa tombe.
L’édifice que l’on voit aujourd’hui est très différent de celui qu’a connu Jean de Brosse. Depuis la route, en contrebas, on aperçoit le château perché au-dessus de nous, avec sa façade imposante. Un seul balcon subsiste aujourd’hui. En fer forgé, il est associé au souvenir de George Sand. Autrefois, il y en avait beaucoup plus, en bois, d’où l’on pouvait admirer le paysage.
Le 14 janvier 1548, un mariage se prépare à Boussac : celui de Charles de Luxembourg, vicomte de Martigues, et de Claudine de Foix. Toute la haute noblesse de la région est réunie. Pour divertir les invités et la foule, un tournoi de chevalerie, un carrousel, est organisé dans la prairie en contrebas. Les spectateurs prennent place sur les galeries en bois. Mais celles-ci ne supportent pas leur poids. Les passerelles s’effondrent. La fête se transforme en tragédie, faisant de nombreux morts et blessés.
Après cette histoire bien sombre, revenons à quelque chose de plus heureux. Enfin… presque.
Lors de ses séjours à Boussac, George Sand occupe une chambre donnant sur la grande salle des gardes. C’est là qu’elle découvre six immenses tapisseries dans un état épouvantable. Elles sont aujourd’hui connues sous le nom de La Dame à la licorne, l’un des grands chefs-d’œuvre de la tapisserie médiévale, souvent surnommée la « Joconde de la tapisserie ».
Mais comment de telles œuvres ont-elles pu se retrouver dans la demeure de Boussac, et surtout dans un état pareil ? Commandées à la fin du XVe siècle par une grande famille de la noblesse française, les tentures passent au fil des générations de famille en famille, jusqu’à arriver à Boussac. Lorsque George Sand les découvre au XIXe siècle, elles ont beaucoup souffert. L’humidité, les rats et des années de négligence les ont fortement endommagées. Certaines parties ont même été découpées pour servir à d’autres usages.
George Sand comprend immédiatement qu’il ne s’agit pas de simples vieilles étoffes. Elle attire l’attention sur elles et Prosper Mérimée intervient à son tour auprès des autorités pour organiser leur sauvegarde. Les six œuvres sont finalement achetées par l’État français en 1882. Elles quittent Boussac pour rejoindre Paris, où elles sont aujourd’hui conservées au musée de Cluny.
Mais l’histoire de Boussac ne s’arrête pas là. Car les œuvres ont laissé quelque chose derrière elles : l’argent de leur vente. Une partie de cette somme permet de financer d’importants travaux dans la ville, notamment le pavage de la place du Champ de Foire. Après avoir été piétinée pendant des siècles par les hommes, les chevaux et les animaux venus aux foires, la place pouvait enfin retrouver un sol digne de ce nom.
Et voilà comment, plusieurs siècles après les grandes foires médiévales, La Dame à la licorne a finalement contribué à améliorer… le marché de Boussac. Cinquième plus beau marché de France ? Une belle place, certes. Mais après avoir découvert son histoire, on se dit qu’il méritait peut-être encore un peu mieux.
